Inclusieve spraakverwarring

ET: ‘Ik heb een gewetensvraag.’


AB: ‘Toch niet of ik wel eens stiekem met mijn hoofd in een keukenkastje chocola eet terwijl de kinderen er ook zijn en ik net heb gezegd dat ze geen snoepje mogen?’


ET: ‘...’


AB: ‘Nou, gelukkig maar, want dat zou ik nooit doen.’


ET: ‘Ik wilde vragen: hoe inclusief schrijf jij?’


AB: (Kijkt verdwaasd op.) ‘O ja, dat is een ding.’


ET: ‘Dat is het. Als opdrachtgevers teksten laten schrijven of redigeren, zeggen ze tegenwoordig: natuurlijk schrijf je het helder en aantrekkelijk en kort en bondig op, maar let er vooral op dat het inclusief is.’


AB: ‘En even voor de mensen thuis, want ik weet dit natuurlijk allemaal allang: inclusief is genderneutraal?’


ET: ‘Ja, maar het gaat verder. Genderneutraal taalgebruik behandelt iedereen gelijk: man, vrouw, onbepaald. Waardoor de NS-conducteur niet meer ‘Dames en heren’ zegt, maar ‘Beste reizigers’. Bij inclusieve taal gaat het ook om bijvoorbeeld seksuele oriëntatie, handicap, leeftijd en religie: niemand wordt achtergesteld.’


AB: ‘Taalgebruik dat iedereen insluit, dus. Daar kan iedereen natuurlijk alleen maar vóór zijn.’


ET: ‘Het punt is: hoe doe je dat? De gemeente Amsterdam heeft er een speciale taalgids voor gepubliceerd, die bijvoorbeeld zegt: gebruik niet lesbienne, wel lesbische Amsterdammer. Om niet te suggereren dat de seksuele oriëntatie iemands hele identiteit bepaalt.’


AB: (Steekt virtuele neus in taaltips.) ‘Ik zie het. Niet spreken over lhbti’s, maar over een lhbti persoon. Lesbienne, homo, biseksueel, transgender of interseksueel zijn is “slechts een onderdeel van de totale identiteit van een persoon”. Klinkt logisch. Wat vind jij, Tiggeler, hebben ze een punt?’


ET: ‘Ja! En nee. Wie zegt dat zelfstandige naamwoorden de totale identiteit van een persoon omschrijven?’


AB: ‘Da’s ook waar. Je kunt iemand karakteriseren met ontelbaar veel zelfstandige naamwoorden. Amsterdammer, ambtenaar, thrillerlezer, gourmand, atheïst, lesbienne: iemand kan het allemaal tegelijk zijn. Als ik spreek over ambtenaren, vind ik niet dat ik een hele bevolkingsgroep wegzet omdat het eigenlijk voor de overheid werkende Nederlanders zijn.’


ET: ‘Eens! Inclusieve taalrichtlijnen, ik kan er weinig mee. Inclusief schrijven zit meer in de inhoud van een tekst dan de juiste keuze tussen bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord.’


AB: ‘Al kan de gewoonte om mensen in te delen in hokjes leiden tot taalgebruik dat – vaak onbewust – mensen buitensluit. Goed om op te letten vind ik het dus wel.’


ET: ‘Meh. Volgens mij kun je hele gids met inclusieve taaltips schrappen, en vervangen door één advies.’


AB: ‘Probeer eens mosterdmayonaise op je bitterbal: dat is minder pittig en net zo lekker?’


ET: ‘Heu …’


AB: (Probeert niet aan bitterballen te denken.) ‘Ik weet het! Ga gewoon voor het immer kloppende en verbindende alternatief.’


ET: ‘En dat is?’


AB: ‘Mens.’


ET: ‘Exact. Schrijf over mensen, voor mensen. Voorkom dat je ze in een hokje drukt met beladen of stigmatiserende termen. Wees je ervan bewust dat cultuur, geloof en leeftijd gevoelig liggen. En dat woorden soms neutraal lijken, maar een negatieve betekenis hebben.’


AB: ‘Mooi betoog. Ik vind toch dat senioren zoals jij daar een goede kijk op hebben.’


ET: ‘Een senior, ik?’ (Slikt hoorbaar.) ‘Een senior tekstschrijver zul je bedoelen.’


AB: ‘…’